Aan de drempel van de droom 01


Deel één 01:

Aan mijn moeder
die mij vergezelde met haar stille offers en haar diep geloof,
bij elke stap die ik zette.

Een woord aan de lezers
Dit verhaal speelt zich af in Syrië, in de jaren zeventig –
een tijd van diepgaande sociale veranderingen en een verstikkende politieke stilstand.
Het vertelt het leven van een jonge man van het platteland,
gescheurd tussen traditie en moderniteit,
tussen de verwachtingen van zijn familie en de dromen van zijn hart,
op zoek naar zijn eigen weg in een wankelende wereld.
De plaatsen waarin het verhaal zich ontvouwt –
van een kleine stoffenwinkel in de oude steegjes van Damascus
tot de smalle wegen van zijn geboortedorp –
zijn geen stille achtergronden,
maar spiegels van innerlijke spanningen.
Het contrast tussen stad en dorp, tussen kennis en noodzaak,
tussen vrijheid en gehoorzaamheid,
vormt de emotionele en politieke onderstroom van deze roman.
Aan de drempel van de droom
is geen politiek manifest,
maar in haar schaduw trilt het verlangen van een samenleving
die haar jeugd grootbrengt in onzekerheid en onrust.
Het is het verhaal van iemand die tastend zijn pad zoekt,
en van een hoop die weigert te sterven,
hoe zwaar de stilte ook drukt.
Luister met open hart en aandachtige ogen –
misschien hoor je er iets in weerklinken
van je eigen herinneringen,
ver weg… en toch dichtbij.
–– Numan Albarbari
📖

Vooraf
Na een week vol examens keerde Numan terug naar huis.
Dagenlang had hij zich opgesloten in zijn particuliere school in het hart van Damascus,
zijn ogen nog zwaar van vermoeidheid –
alsof de dagen een stille rust uit zijn ziel hadden gestolen,
een rust die hij pas voelde ontbreken zodra hij thuiskwam.
Zijn terugkeer leek op een ingehouden adem:
een stille verwachting aan de rand van een beslissend moment,
waarin hij de uitslag al hoorde fluisteren
nog voor iemand haar uitsprak.
Hier, op de grens tussen stad en platteland,
vertraagt het licht voordat het de dag begroet,
en aarzelt de ziel even voor ze zich overgeeft aan haar lot.
Het was geen afstand van kilometers,
maar een onzichtbare kloof van gevoel –
tussen twee werelden die elk op hun manier aan hem trokken.
De hoofdstad was voor hem het toneel van strijd en zelfbeproeving geweest,
een arena van kennis en vermoeidheid.
Het dorp, daarentegen, was de terugkeer naar warmte,
naar herinnering, naar de eenvoudige kern van het leven.
Maar dit keer droeg zijn hart iets vreemds in zich –
een vaag, onwennig gevoel,
een mengsel van verwarrende onzekerheid
en een zachte hoop die zich als een dunne lichtstraal
door de schemer van twijfel wrong.
De avondzon streek neer over zijn stad Douma,
aan de rand van Damascus,
en legde een gouden glans op de daken,
alsof ze de weg naar huis voor hem wilde verlichten.
De smalle steegjes fonkelden voorzichtig,
verlichtten het pad naar de wijk al-Saha
voor ze langzaam in het donker oplosten.
En ondanks de uitputting die zijn gedachten aanviel nog vóór zijn lichaam,
voelde hij een onverklaarbare haast,
een drang die hij niet helemaal begreep.
Toen hij de drempel overstapte,
ving zijn oor de stem van zijn moeder op –
zacht en bekend, als een lied waarnaar hij al weken had verlangd.
“Numan! Eindelijk ben je er, mijn zoon, mijn trots…
Vertel me, heeft die vermaledijde examenweek je helemaal uitgeput?”
Een vermoeide glimlach brak door op zijn gezicht,
maar in zijn ogen flikkerde een klein, glanzend vonkje van vreugde
dat hij haast probeerde te verbergen.
Met een zachte stem zei hij:
“Ja… het was zwaar, moeder.
Maar… ik weet niet,
er is iets in mij veranderd.
Het voelt alsof het succes dichtbij is –
ik kan het bijna aanraken.”
Haar gezicht lichtte op,
zoals een oude olielamp die plots weer brandt in de nacht.
Ze kwam naar hem toe en sloeg haar armen om hem heen,
met die warmte die alleen een moeder kan schenken.
“Jij bent onze held, Numan,” fluisterde ze.
“Onze trots.
We hebben zó lang gewacht om je zo te zien.
Ik geloof in jou,
en ik weet dat je iets zult bereiken
dat past bij jouw inzet en jouw goedheid.”
Haar woorden trilden van dat zuivere, haast platonische geloof in het goede –
waar de moeder een spiegel van de droom wordt,
de as van hoop,
het zwaartepunt van alle liefde.
In dat moment, toen ze zei: “Jij bent onze held,”
was de zonsondergang geen decor meer.
Hij wás de stilte tussen twee ademhalingen,
het besef dat het leven betekenis kan hebben.
Haar stem bleef in hem nazinderen –
een echo van vertrouwen die hem van binnen raakte.
Ze had altijd in hem geloofd,
in zijn kunnen, in zijn droom.
Ze had haar hoop in hem gelegd,
tegen alle hardheden van het bestaan in.
Toen verscheen zijn vader in de deuropening,
gelokt door de stemmen,
in zijn eenvoudige huispak zoals op elke vrije dag.
Zijn blik straalde trots en tederheid –
de blik van een man die in zijn zoon
de voortzetting van zijn hoop zag.
“Ik ben trots op je, Numan,” zei hij zacht,
“maar ik weet dat dit niet het einde is, hè?
Jij gaat verder, dat voel ik.”
Numan hief zijn blik op naar zijn vader,
en daarna naar de handen van zijn moeder,
die hem nog altijd vasthielden.
Hij voelde dat hij werkelijk stond op de drempel
van de belangrijkste beslissing van zijn leven –
de beslissing om zijn droom waar te maken,
en daarmee ook die van zijn gezin.
Een korte, dichte stilte volgde.
Toen zei hij, met een stem vol vastberadenheid:
“Eindelijk heb ik mijn besluit genomen, vader, moeder.
Zodra de uitslagen komen, ga ik verder studeren.
Ik wil naar de faculteit bouwkunde.
Ik twijfel niet meer.
Ik zal alles geven wat ik heb –
en op een dag, zal ik de beste zijn in dit vak.”
Hun gezichten lichtten op van vreugde.
Het was meer dan een studie-keuze:
het was een verklaring van volwassenheid,
een geboorte van een eigen wil,
het begin van zelfstandigheid.
Zijn ouders wisselden een stille blik.
Toen zei zijn vader:
“Dan staan wij achter je, Numan.
In elke stap die je zet.
Het is jouw droom –
en wij zijn trots op jou,
op alles wat je zult worden.”
Numan glimlachte.
In die glimlach trilde een gevoel van bevrijding.
Het besluit was nu van hem,
maar tegelijk van hen alle drie.
In de ogen van zijn ouders lag een stille euforie,
alsof ze samen een schip uit de storm hadden zien terugkeren.
Een droom die bij één mens begint,
maar groeit om velen te omvatten.
Misschien, dacht hij,
zal dit besluit het begin zijn van een reeks beproevingen,
van ontmoetingen die zijn pad veranderen,
of van een val die zijn beeld van zichzelf herschept.
Maar één ding wist hij zeker:
dit was zijn eerste stap aan de drempel van de droom,
de plek waar hij later, als alles voorbij zou zijn,
naar terug zou kijken en zeggen:
“Daar begon het.”
Hij keek zijn ouders aan en zei zacht:
“Dank jullie…
meer dan wat ook heb ik jullie gebed nodig –
en jullie geloof in mij.”
In dat moment, in de warmte van zijn gezin,
voelde Numan zich klaar om zijn leven te veranderen –
niet enkel voor zichzelf,
maar om een licht te laten schijnen
boven de mensen van wie hij hield.
Zoals hij altijd had gedaan:
door te kiezen voor wat beter was.
Voorwoord
De winkel leeft in zijn herinnering niet slechts als een plek van arbeid,
maar als een innerlijk bouwwerk — een kleine tempel waarin de tijd zich ophoopt,
waar herinneringen ademen tussen stof en stilte.
De stoffen, ruw of zijdeachtig, in hun kleuren en patronen,
belichaamden de dubbele wereld waarin Numan leefde:
tussen droom en werkelijkheid, tussen verlangen en noodzaak.
In de oude winkel, diep in het hart van Damascus,
tussen houten en kartonnen kisten vol rollen textiel —
sommige strak gebonden met grof jute, andere zacht hangend over de rand van de planken —
begon het verhaal van een jongen aan het begin van zijn leven.
Die winkel in de souk al-Harika was meer dan een zomerbaan;
het was een halte op weg naar iets dat groter leek dan hijzelf.
Een plek waar hoop een vorm kreeg,
waar Numan, nog geen eenentwintig, leerde wat het betekent
om te dromen in een wereld die weinig ruimte liet voor dromen.
Hij was geboren in een arm, gelovig dorp,
de oudste van elf kinderen, de eerste kleinzoon,
en de enige die zijn opleiding voortzette in een gezin
waar schoolgaan een luxe was — een tocht door de nauwe gangen van armoede.
Zijn vader, een eenvoudige barbier, werkte van vroeg tot laat in een klein winkeltje
dat nauwelijks genoeg opbracht om elf monden te voeden.
Zijn moeder boog zich van ochtend tot avond
over een oude borduurmachine, de aghbani,
waarop ze met eindeloos geduld Damascene patronen weefde,
om datgene aan te vullen wat in huis steeds ontbrak.
Numan wist al vroeg dat een opleiding niet gedragen wordt door goede bedoelingen,
maar door offers, door volharding, door de zware last van geldzorgen.
Leren kostte geld, en geld had hij niet.
Dus begon hij vroeg te werken, zodra de lagere school voorbij was —
om zichzelf te onderhouden, om zijn boeken te kunnen betalen.
Die zomer was anders.
Hij had ervoor gekozen te werken bij Haj Abu Mahmoud —
een oude, stille man met een blik die niets ontging.
Hij hield van orde en schreef elke berekening met zorg op,
ook al kon hij de cijfers moeiteloos in zijn hoofd bewaren.
Elke ochtend om acht uur precies stond hij in de winkel,
keek naar de netheid van de vloer, het ritme van de stoffen,
noteerde met vaste hand wat die dag gebeuren moest.
Numan werkte er inmiddels een maand.
Hij was de enige hulp, net klaar met zijn eindexamen,
en zijn inzet was opgevallen — zijn rust, zijn toewijding, zijn precieze hand.
Wat hem dreef was eenvoudig:
de hoop te slagen, te studeren aan de universiteit,
zijn lot te keren,
en zijn familie een toekomst te schenken
die meer was dan overleven alleen.
Toen de uitslagen eindelijk bekend werden, stond zijn naam op de lijst van de geslaagden.
Numan behoorde niet tot de besten van de klas, maar hij was geslaagd —
en dat was genoeg om zijn eerste stap op het pad van de toekomst te zetten.
Die ochtend kwam hij de winkel binnen met het rapport in zijn hand.
In zijn ogen trilden spanning en vreugde door elkaar.
Een stem in hem vroeg zacht maar dwingend:
Zijn deze cijfers genoeg? Is dit echt succes? Is dit het resultaat van al die nachten van hoop en vermoeidheid?
Maar een andere, warmere stem fluisterde terug:
Jij bent de enige in de familie die ooit zover gekomen is.
Elke cijfer op dit blad is een overwinning op zichzelf.
Abu Mahmoud las het rapport in stilte.
Toen verscheen er een kleine glimlach op zijn lippen.
‘Gefeliciteerd met je succes,’ zei hij.
Hij opende de ijzeren kist naast het bureau, haalde drie bankbiljetten van honderd pond tevoorschijn
en stopte ze in Numans borstzak.
‘Vandaag heb jij vrij,’ zei hij,
en na een korte pauze voegde hij eraan toe:
‘Maar ga eerst naar de winkel van meneer Abu Ali op het Marje-plein.
Zeg hem dat je van mij komt.
Koop twee dozen van zijn beste gebak — één voor de buren,
en één voor je familie.
Vandaag vieren we jouw succes, zoals het hoort.’
Die driehonderd pond waren het loon van een hele maand.
Onderweg naar het plein dacht Numan:
Moet ik echt het werk van een maand opeten in één dag van feest?
Maar hij glimlachte toen hij zich herinnerde dat de man die betaalde,
ook degene was die het feest had bevolen.
En misschien, dacht hij, is vieren soms een plicht.
Hij keerde terug met drie dozen vol zoetigheden uit Damascus.
Abu Mahmoud glimlachte breed toen hij ze zag.
‘Voordat we ze openen,’ zei hij, terwijl hij opnieuw naar de kist reikte,
‘hier, dit is ook voor jou.’
Hij gaf hem nog drie bankbiljetten.
‘Maar meester,’ stamelde Numan, ‘dat is te veel!’
‘Nee, mijn beste Numan,’ antwoordde hij rustig.
‘Niet te veel voor iemand die mij vandaag blij heeft gemaakt.
Weet je, toen ik jong was,
heb ik er vaak van gedroomd mijn ouders gelukkig te maken met mijn succes,
zoals jij dat nu doet.
Maar ik heb het nooit kunnen waarmaken.’
Voor het eerst liet Abu Mahmoud iets van zichzelf zien.
Zijn stem brak het pantser van stilte dat hem altijd omgaf.
In die enkele zinnen herleefde een verloren verleden —
hij herkende in Numan de jongen die hij zelf ooit had willen zijn.
Het feest was dus meer dan een gebaar van vreugde;
het was een symbool —
een oud stoffenwinkeltje in het hart van Damascus dat even veranderde
in een plek waar niet winst, maar groei werd gevierd.
‘Kom,’ zei Abu Mahmoud opgewekt, ‘laten we de buren roepen.’
En zo, op een warme zomerdag in Damascus,
vierde de oude stoffenwinkel geen grote deal,
maar de geboorte van een droom —
die van Numan, de jongen van het platteland,
die een stap dichter bij zijn toekomst kwam.
Op dat moment ging de deur open.
Een man van in de veertig stapte binnen,
in een donker pak met een grijs overhemd en een das die kleurde tussen as en nacht.
Naast hem liep een jonge vrouw, even oud als Numan,
met een lichte huid, een korte zwarte rok,
een grijze trui met korte mouwen,
en in haar hand een stukje stof.
‘Goedendag,’ zei de man beleefd.
‘Welkom,’ antwoordde Abu Mahmoud met zijn vaste, rustige stem,
terwijl hij terugliep naar zijn bureau.
Numan stond al klaar om te vertrekken,
maar de oude man riep hem terug:
‘Meneer Numan, zou je de klanten even willen helpen?’
Numan draaide zich om, liep met korte passen terug,
en ging achter de toonbank staan met een glimlach.
‘Goedemiddag,’ zei hij vriendelijk.
‘Waarmee kan ik u van dienst zijn, meneer?’
Hoofdstuk Eén 01:
Zijn woorden waren tot de man gericht.
Zijn handen rustten op de lange toonbank die hen van elkaar scheidde.
Hij keek niet naar het meisje, noch naar het stukje stof dat ze hem aanreikte,
terwijl ze met een zekere zelfverzekerdheid zei,
en haar ogen glansden van iets dat op uitdaging leek:
‘We zoeken al sinds de ochtend naar een stof die precies bij dit stukje past — in kleur, in weefsel, in gevoel.’
Maar Numan bleef onverstoorbaar, alsof haar stem niet tot hem doordrong.
Hij sprak nog steeds tegen de man:
‘Het spijt me, meneer. Wij verkopen enkel in groothandel of halve groothandel, niet per meter.’
Het meisje liet haar blik over de rollen en rekken glijden en antwoordde met een lichte irritatie:
‘Maar iemand heeft ons juist naar u verwezen.
Hij zei dat u gespecialiseerd bent in dit soort stof —
en dat we hier zouden vinden wat we zoeken.’
Numan herhaalde kalm:
‘Zoals ik al zei, meneer, wij verkopen niet in het klein.’
De teleurstelling in haar stem sloeg om in boosheid:
‘Mag ik dan tenminste even kijken?
Of is dat beneden uw waardigheid?’
Toch bleef Numan onbewogen. Zijn stem bleef even beheerst toen hij zich opnieuw tot de man wendde:
‘Als u wilt, meneer…’
Maar het meisje onderbrak hem fel:
‘Daar! Die stof daar, op dat rek! Ja! Dat is hem precies!
Papa, dát is wat ik bedoelde!’
Haar stem sneed door de lucht.
Numan bleef kalm, bijna onnatuurlijk kalm:
‘Het spijt me, meneer, maar wij verkopen alleen in groothandel.’
Het meisje stapte naar voren, wees met haar hand en riep:
‘Haal die rol voor me naar beneden! Kom op! Schiet op!
Wat sta je daar zo? Ben je dom of doof?! Heb je me niet gehoord?!’
Vanuit de verte keek Abu Mahmoud, de eigenaar van de winkel, zwijgend toe.
Er lag iets van mild begrip in zijn ogen, alsof hij een oud toneelstuk opnieuw zag.
Numan bleef beleefd:
‘Meneer, als u wilt, kan ik u de naam opschrijven van een kleinhandelaar in de buurt van de Hameediya-markt.
Hij koopt dit type stof van ons in. U zult daar vast vinden wat u zoekt.’
De man knikte dankbaar.
‘Dat zou vriendelijk zijn,’ zei hij.
Hij nam het papiertje aan, bedankte Numan,
en pakte de hand van zijn dochter om te vertrekken.
Maar zij rukte zich los. Haar ogen vonkten.
‘Eerst wil ik het zelf zien!’ riep ze.
En toen, terwijl ze een stap naar voren zette:
‘Ik spreek met jou, niet mijn vader! Ben je blind? Of gewoon… dom?’
Numan bleef glimlachen — die stille, beheerste glimlach die meer zei dan elk woord.
Misschien was dat wat haar het meest irriteerde.
Ze gooide hem een paar woorden toe, snel, onduidelijk, half in woede verslikt.
Hij begreep ze niet allemaal,
maar ze troffen hem als kleine klappen in het gezicht —
scherp, vluchtig, en onvergetelijk.
Toch verloor Numan de controle niet.
Hij stond daar als een muur die regen opvangt —
stil, onverzettelijk, zonder dat er iets afbrokkelde.
‘Kan ik verder nog iets voor u betekenen, meneer?’
zei hij met dezelfde kalme stem.
Het was alsof zijn rust haar razernij nog verder aanwakkerde.
Het meisje draaide zich plotseling naar Haj Abu Mahmoud,
die het tafereel nog steeds op een afstand gadesloeg,
en riep fel:
‘Kunt u in heel Damascus niemand slimmer vinden dan deze dwaas?!
Is dit werkelijk het beste wat u in dienst hebt?!’
Toen bewoog Abu Mahmoud zich eindelijk.
Zijn passen waren traag, gewogen, als die van iemand
die de storm niet vreest maar haar kent.
Hij kwam dichterbij en zei met een zachte, beheerste stem
waarin echter een zweem van strengheid meeklonk:
‘Welkom, welkom.
U bent vast net aangekomen in Damascus, na een lange reis misschien?
U lijkt vermoeid.
Waarom neemt u niet even plaats —
een glas thee met ons,
en laten we rustig praten.’
Zijn woorden hingen in de lucht als een deken over scherpe stenen.
Zelfs het meisje zweeg.
En Numan, die nog steeds naast de toonbank stond,
voelde plots iets van dankbaarheid voor die kalme stem
die het lawaai had verbroken zonder te breken.
Het meisje sprak met een hevige emotie:
‘Dank u voor de ontvangst!
Het is volledig duidelijk aan de manier waarop uw medewerker ons behandelt hoe u uw gasten in uw land ontvangt!’
Haj Abu Mahmoud antwoordde, zijn vriendelijke toon onveranderd:
‘Wees niet te snel met oordelen, mijn waarde juffrouw.
Deze jonge man hier is beleefd en correct.
Hij heeft echter nog nooit met jonge dames te maken gehad.
Zij komen onze winkel immers niet binnen, omdat wij niet per stuk verkopen, zoals professor Numan je al vertelde.
Ons werk richt zich uitsluitend op handelaars.’
Muna schreeuwde:
‘Dat interesseert me niet!
Ik betaal uit mijn eigen zak!
En u, als winkelier, hoort erop toe te zien dat uw waren verkocht worden,
terwijl een werknemer zich om de klant bekommert!’
Haj Abu Mahmoud antwoordde kalm:
‘Er zit iets van logica in je woorden,
maar ik heb deze jonge man alleen maar goed gedrag zien tonen,
ondanks dat je hem pijn deed met je woorden.
Ik bied je mijn excuses aan voor het misverstand.’
Hij wees naar het bord met zoetigheden en zei:
‘Trouwens, vandaag is een bijzondere dag in deze winkel.
Professor Numan is geslaagd voor zijn eindexamens van het wetenschappelijke vakgebied,
en bracht deze lekkernijen mee om dit te vieren.
We zouden de buren uitnodigen, maar aangezien jullie eerder zijn gekomen,
welkom bij ons.’
Muna zweeg een moment, en zei toen met een zachtere stem:
‘Nee… dank u, we willen alleen de stof kopen en meteen weer vertrekken.’
Haj Abu Mahmoud knikte rustig:
‘Zoals u wilt.’
Ze stapte dichterbij, haar toon weer veranderd:
‘Zou u uw medewerker niet kunnen vragen een stuk van deze stof te verkopen?
Of luistert hij niet?
Of wacht hij op een bevel dat nooit zal komen?’
Hij antwoordde:
‘Onze excuses, wij hebben geen administratie voor verkoop per stuk.
Restanten verkopen wij ook niet.’
Ze mompelde terwijl ze naar Numan keek:
‘Het is duidelijk dat niemand hier iets zal kopen, zolang jullie zo omgaan met klanten…’
Toen richtte ze zich weer tot Haj Abu Mahmoud:
‘Goed, ik koop de hele stof. Breng hem naar mij.’
De Haj gaf Numan het teken om uit te voeren.
Numan pakte de stof, legde hem op de toonbank voor zijn leraar,
en keerde terug naar zijn plek, terwijl zijn ogen rood kleurden,
alsof ze een traan wilden verbergen die niet viel.
Muna inspecteerde de stof, wikkelde er een stukje om haar lichaam,
en keek vervolgens in een klein spiegeltje dat ze uit haar tas haalde.
Ze richtte haar ogen op haar vader, die een gesprek leek te horen dat niemand anders had gehoord,
en fluisterde toen:
‘Dit is het, papa… precies zoals ik het wilde.’
De man haalde zijn portemonnee tevoorschijn en bood Haj Abu Mahmoud een stapel geld aan.
Maar de prijs was hoog, en het bedrag volstond niet.
Hij vroeg of hij even kon wachten terwijl hij naar de auto liep en terugkwam.
Daarop stapte Muna vooruit en zei tegen Numan, met een bevelende toon:
‘Draag de stof naar de auto, dan betalen we daar.’
Numan verstijfde even.
Hoe kon hij dat doen na alles wat er gezegd was?
Toch hield hij zijn gevoelens onder controle en verborg hij alles wat in hem opvlamde.
De man keek hem vriendelijk aan en zei:
‘Wilt u ons alstublieft helpen de stof naar de auto te brengen?
We zullen u niet ophouden, de auto staat dichtbij.’
Numan keek naar zijn leraar, alsof hij toestemming vroeg om iets te zeggen.
Toen sprak hij rustig:
‘U kunt misschien een van de dragers daar inhuren.’
Haj Abu Mahmoud knikte en glimlachte:
‘Geen dragers nodig, Numan.
Het is maar één stof, en hij is licht, zoals je ziet.
Leg hem gewoon in de auto, neem het resterende bedrag in ontvangst, en kom snel terug!’
De man voegde eraan toe:
‘Als u wilt, meneer Numan…’
Numan liet zijn hoofd zakken en herhaalde zachtjes tegen zichzelf:
‘Leg de stof in de auto… neem het geld… en kom snel terug.’
Hij aarzelde een ogenblik, nam toen de stof op, zwaar van stilte en ongemak,
en volgde de man langzaam naar buiten.
Muna liep hen al voor, met zelfverzekerde stappen,
alsof ze met haar blik zei:
‘Volg mij…’
Ze liep voor hem uit, als iemand die achter zich iets trekt dat volledig van haar lijkt te zijn.

Hoofdstuk twee 02:
De klok sloeg twee uur in de middag en Numan was nog steeds niet terug in de winkel. Het tijdstip van de siësta was aangebroken en de groothandelswinkels sloten hun deuren, zoals gebruikelijk in deze oude markt van Damascus.
Drie uren van zware lunchrust verstreken, terwijl Hajj Abu Mahmoud de tijd voelde kruipen. Langzaam openden de winkels weer en het geluid van de stad keerde stukje bij beetje terug.
De winkelier daalde van zijn zolder af, maar vond de deur nog steeds gesloten, alsof zijn afwezigheid een eeuw had geduurd. Hij stond een moment stil, keek rond, en duwde toen voorzichtig de deur open. Zijn ogen scanden de lege hoeken en de dienstkamer, maar nergens was een spoor van Numan.
Achter zijn bureau ging Hajj Abu Mahmoud zitten. Hij bladerde door zijn gedachten en staarde in de stilte; niets vulde de ruimte behalve de langzaam tikkende klok die de minuten leek te bijten. Een paar klanten arriveerden, maar hij stelde hun verzoeken uit, wachtend op zijn medewerker, alsof hij niets wilde afronden in diens afwezigheid.
Het wachten voelde eindeloos, alsof de uren hem langzaam opslokten. Uiteindelijk verscheen Numan. Hij liep binnen met zware stappen, zijn gezicht bleek en getekend, alsof een leven van jaren over hem heen was gegaan en iets onherstelbaars had meegenomen.
Zijn vermoeidheid drukte zwaar op zijn gelaat, maar in zijn binnenste brandde een dieper gevoel van vernedering, een pijn die bleef steken en smeulde.
De klok wees half acht in de avond toen Numan het geld stilletjes op het bureau legde voor zijn leermeester. Hajj Abu Mahmoud hief zijn ogen en een mengeling van verbazing en bezorgdheid verscheen op zijn gezicht.
“Waar was je, jongen?… Waarom ben je zo laat?… Wat is er gebeurd?”
Maar Numan antwoordde niet. Hij nam rustig een fles water, dronk in één teug, en bleef even stil zitten, zonder een woord te zeggen. Daarna stond hij op en begon hij de winkel af te sluiten, alsof hij de dag zo snel mogelijk achter zich wilde laten.
Het was een lange dag geweest, uitzonderlijk in alles wat er gebeurde. Tegen acht uur ’s avonds nam Hajj Abu Mahmoud afscheid en vertrok naar huis, terwijl Numan achterbleef om de laatste hand te leggen aan het afsluiten van de winkel.
Numan sloot zorgvuldig de deur, controleerde de zijsloten, en wierp een laatste blik naar binnen. Toen ging hij op weg naar de bushalte, zijn vermoeide voeten slepend over de straatstenen.
In de bus nam hij plaats bij het raam en staarde zwijgend in de duisternis door het gekraste glas, alsof hij naar beelden zocht die alleen hij kon zien. Plotseling verscheen Hajj Abu Mahmoud naast hem, alsof hij iemand zocht. Numan besefte op dat moment pas dat zijn leermeester de hele tijd naast hem had gezeten.
Zijn blik werd een stille vraag waarop geen antwoord kwam.
Hajj Abu Mahmoud fluisterde zacht:
“De busreis is voor jou betaald…”
En voegde er met een warme toon aan toe:
“Vergeet de twee schalen snoep niet mee te nemen naar huis…”
Hij stond op om uit te stappen, maar stopte plotseling, glimlachte naar Numan en zei:
“Let goed op ze, zodat je ze niet vergeet… zoals je bijna in de winkel deed.”
Met een vriendelijke handzwaai nam hij afscheid, en liet een warme echo achter in het hart van de jonge man, een stil excuus dat Numan niet zou vergeten.
Hoofdstuk drie 03:
Numan kwam thuis zoals gewoonlijk laat in de avond. Vermoeidheid en een zachte gloed van heimwee volgden hem als schaduwen. Zijn moeder stond bij de deur, haar warme glimlach zoals altijd, klaar om op haar gezicht te bloeien. Ze wachtte niet om hem te berispen om zijn vertraging, maar om hem de vreugde van het hart te schenken op deze nacht van succes.
Haar vermoeide gezicht straalde, alsof de inspanning een versiering van liefde was. Ze had de hele dag besteed aan het voorbereiden van een tafel die waardig was voor haar ijverige zoon – hij die niet door inspanning werd gebroken, maar geslepen.
Zijn jongere broertjes en zusjes liepen om haar heen, hun ogen volgden elke stap, hun neuzen snuivend de geur van het eten dat door deuren en ramen naar buiten drong, als een voorbode van een feestdag. Ze wachtten niet alleen op het avondeten, maar op het moment van samenzijn en op de vreugde van Numan’s overwinning.
Hij liep het huis binnen met zware stappen, begroette zachtjes, doordrenkt van vermoeidheid en een vleugje teleurstelling. Maar toen zijn ogen die van zijn stralende moeder en de blije gezichten van zijn broertjes en zusjes ontmoetten, voelde hij een warme stroom door zijn borst stromen die vermoeidheid en bitterheid verdreef.
Numan glimlachte verlegen en stak zijn handen uit om de twee schalen met snoep aan te bieden, alsof hij zijn hart overhandigde, gevuld met dankbaarheid.
Toen de kinderen het snoep zagen, klonken hun kreten van blijdschap en renden ze erop af, de tafel vergeten die ze al zo lang hadden afgewacht. Zijn moeder probeerde het tafereel te bedwingen en tilde één van de schalen op:
“Dit bord is genoeg voor iedereen… misschien twee dagen of langer!” zei ze zacht, maar de kleintjes waren al verdwaald in een wereld van suiker en verwondering.
Numan vroeg zijn moeder om hen deze vrijheid te laten die avond, en ging toen rustig naast haar zitten om het avondeten te gebruiken. Zijn ogen bewogen tussen de kleine gezichten van zijn broertjes en zusjes, lichtend van voldoening.
Zijn moeder zei terwijl ze brood voor hem sneed:
“Mijn geluk is onbeschrijfelijk, jongen. Jij hebt mijn hoofd zo hoog doen rijzen.”
Numan glimlachte en wees naar zijn broertjes en zusjes:
“Hier, met hen, vind ik ware vreugde… kijk hoe ze hun blijdschap tonen!”
Zijn moeder lachte:
“Ze hebben urenlang gewacht op het eten, snuffelden aan de geur met hun neus en hielden mij in de gaten, en lieten alles achter voor het snoep van jouw succes.”
Zijn oudere zus mengde zich trots:
“Maar ik heb je geholpen, mama, vergeet dat niet!”
Zijn jongere broertje zei:
“En ik ben naar de kruidenier gegaan om olijfolie te halen!”
Één voor één vertelden de kinderen hun bijdragen, ieder op zijn eigen manier hun vlag van deelname hooghoudend.
Numan lachte en zei spontaan:
“Jullie zijn de beste broers en zussen ter wereld… dank jullie, en dank aan jou, mama, en aan papa. Zonder jullie steun, geduld en kalmte tijdens mijn studie, was ik nooit hier aangekomen. Maar… let op! Jullie moeten ook op jullie studie letten… en laat wat snoep over voor mama en papa!”
Zijn jongere zus protesteerde terwijl ze de schaal met haar handen omhelsde:
“Zeg niet dat je ook iets aan de kinderen van de buren zult geven! Ze geven ons toch nooit iets!”
Zijn moeder gebood vriendelijk maar beslist:
“Nee, meisje, wij kijken niet naar wat anderen hebben… wij zijn tevreden, en dankbaar.”
Lachsalvo’s vulden de kleine hoek van het huis, tot zijn moeder de borden begon te verzamelen en zei met een toon vol liefde en tederheid:
“Nu wast iedereen zijn handen en mond, poetst zijn tanden en gaat naar bed. En morgen… horen we over jullie dromen.”
Zijn jongere zus giechelde speels:
“Nee, mama! Ik wil slapen met de smaak van snoep in mijn mond… om erover te dromen!”
Zijn moeder glimlachte speels en zei:
“Wil je dat het monster van de gaatjes door je mond loopt te spelen? Poets je tanden, anders… zullen we je droom morgenochtend niet horen door die geur!”
Toen het huis in stilte was gehuld en iedereen sliep, keerde vader terug van zijn werk. Vermoeidheid stond duidelijk op zijn gezicht geschreven. Zijn moeder ging naast hem zitten en vertelde hem rustig alles wat er die dag was gebeurd. Ze zette een klein schaaltje snoep voor hem neer, op een oude koperen schaal die ze al sinds haar trouwdag bewaarde.
Vader keek verbaasd:
“Waar heeft Numan dit luxe snoep vandaan gehaald?”
Moeder antwoordde kalm:
“Ik heb het hem niet gevraagd… hij werkt hard, vandaag was een succesvolle en gelukkige dag, en ik wilde zijn vreugde niet bederven.”
Vader keek haar aandachtig aan:
“Ik zag twee doosjes van bekende winkels… ik wil weten hoe hij eraan gekomen is.”
Moeder glimlachte geruststellend:
“Dat vraag ik hem morgenochtend wel. Laat zijn vreugde vannacht puur blijven.”
Vader knikte en glimlachte:
“Vergeet alleen niet wat naar mijn ouders, mijn broers en hun kinderen te sturen… en naar wie je maar wilt laten meegenieten van zijn succes.”
Moeder fluisterde tevreden:
“Dat had ik al van plan, maar de hoeveelheid is te klein voor iedereen.”
Toen ze haar keukenwerk had afgerond, legde ze zich naast hem, en overheerste een zachte stilte die als een gebed voelde.
Vóór de dageraad stond Numan op, deed zijn wudu, spreidde zijn gebedskleed in een hoek ver van de voeten van zijn broertjes en bad twee rak’ahs. Zijn ogen hingen even op zijn slapende vader terwijl hij zachtjes fluisterde:
“Maak je geen zorgen, papa… ik ben zoals je me kent, met Gods hulp.”
Hij keerde terug naar zijn bed, las de Mu’awwidhat, en sloot zijn ogen.
Bij het eerste ochtendgebed stond hij opnieuw op, deed zijn wudu en bad. Daarna maakte hij zijn broertjes voorzichtig wakker en hielp hen zich gereed te maken. Stil en aandachtig zette hij het ontbijt klaar: brood, olijven, tijm, yoghurt en thee.
Uit zijn zak haalde hij drie biljetten en gaf ze aan zijn moeder:
“Mijn leraar gaf me honderd lira om het snoep te kopen, en daarna schonk hij me deze drie biljetten… hij zei dat het een cadeau voor mijn succes was. Dit is al het geld, mama.”
Zijn moeder nam het aan en kuste zijn hoofd:
“Het is van jou, mijn zoon. Dit is jouw vreugde… en onze vreugde over jou is genoeg.”
Toen wendde ze zich tot Numan’s jongere broertjes en zei met een vastberadenheid die toch warm aanvoelde:
“En jullie… beloven jullie mij dat jullie net zo zullen zijn als hij?”
Ze riepen allemaal uitbundig:
“Ja, mama!”
Maar Numan staarde voor zich uit, verdiept in zijn gedachten. Zijn moeder keek hem zacht aan:
“Waar denk je aan, mijn zoon?”
Hij antwoordde rustig:
“Ik denk eraan om mijn werk bij meneer Abu Mahmoud tijdelijk te laten rusten, zodat ik mijn documenten kan voorbereiden voor de universiteit in Damascus… of op zijn minst voor een middelbare opleiding.”
Zijn moeder zei geruststellend:
“Ik zal met je vader praten, en ik denk niet dat hij bezwaar zal hebben. Jij weet wat goed is voor je toekomst, Numan.”
Op dat moment kwam zijn vader de keuken binnen en zei:
“Goedemorgen!”
Allen antwoordden in koor:
“Goedemorgen, papa!”
Hij ging naast Numan zitten en legde een hand op zijn schouder:
“Gefeliciteerd met je succes, mijn jongen!”
Numan kuste de hand van zijn vader en fluisterde:
“God zegene jullie, papa en mama.”
Daarna vroeg hij toestemming om te gaan. Zijn vader liep met hem mee naar de deur en sprak zacht:
“Vrees mijn strengheid niet… ik ben alleen bezorgd om jou. Ik hoorde je gesprek met je moeder… de toekomst ligt voor je, en jij weet wat goed voor je is… en ik heb vertrouwen in jou.”
Hij klopte nog eens op Numan’s schouder en voegde eraan toe:
“Ga in vrede.”
Numan vertrok vroeg naar zijn werk, terwijl zijn vader terug naar bed ging om verder te slapen tot acht uur. Tegen die tijd maakten Numan’s broertjes zich klaar om naar de koranschool te gaan, die kleine huisjes in de wijk waar een vriendelijke oude vrouw hen met geduld en liefde de beginregels van het lezen van de Koran bijbrengt, zoals “’Amma” en “Tabāraka”.
Wanneer de ochtenddrukte voorbij is en hun moeder klaar is met haar werk, gaat ze achter haar borduurmachine zitten en werkt ze met gekleurde zijden draden op stoffen, zoals ze al jaren doet. Het borduren van deze stoffen is haar bron van inkomsten. Ze ontvangt de stukken en de draden van klanten, en verwerkt ze tot sierlijke stukken met haar eigen handen. Soms helpt een van haar kinderen mee met het dragen van de stoffen, en jarenlang was Numan degene die dat deed—totdat vandaag zijn jongere broer deze taak op zich nam.
Hoofdstuk vier 04:
De ochtend was net aangebroken over de oude steegjes van Damascus toen Numan zoals gewoonlijk vroeg in de stoffenwinkel arriveerde, nog voor de eerste lichtflarden fluisterden. Hij opende de sloten met ervaren handen en begon de vloer te vegen, terwijl hij de stoffen met zorg ordende, alsof hij op zoek was naar een verborgen schat.
Nog voor zijn leraar arriveerde, zette hij water op en bereidde hij een kop kruideninfusie zoals hij elke ochtend deed.
Toen betrad meneer Abu Mahmoud, de eigenaar van de winkel, de ruimte en begroette hem met zijn gebruikelijke vaste stem:
“Goedemorgen!”
Numan antwoordde beleefd en ietwat ingetogen:
“Goedemorgen, leraar.”
Maar die ochtend verraste meneer Abu Mahmoud hem met een lichte glimlach en een zachte, vriendelijke toon:
“Vandaag… wil ik eens koffie in plaats van kruiden. En we drinken die samen. Kun jij koffie zetten?”
Numan liep naar het kleine kamertje en zei:
“Natuurlijk, leraar. Maar… vergeef me, ik wil eigenlijk geen koffie drinken.”
Vanuit de deuropening klonk het geluid van zijn meester, met een subtiele glimlach in zijn stem:
“Je zult het drinken, en je zult mijn verzoek niet weigeren, zoals je altijd doet. Toch?”
Numan glimlachte moe:
“Goed… zoals u wilt, leraar.”
In stilte mompelde hij bij zichzelf:
“En wat is koffie zonder een sigaret? Ze zijn onlosmakelijk verbonden…”
Toen vroeg zijn leraar naar de hoeveelheid suiker, waarop Numan antwoordde:
“Zoals u het lekker vindt.”
En een paar minuten later kwam Numan terug met een klein dienblad, daarop twee kopjes koffie en een glas koud water. Hij zette het op het kleine ladekastje en overhandigde het eerste kopje aan zijn meester met een geforceerde glimlach:
“Alstublieft, leraar…”
Zijn leraar keek hem onderzoekend aan en zei verbaasd:
“Je ziet er anders uit dan gewoonlijk vanmorgen. Mag ik weten waarom?”
Numan haalde even adem en antwoordde, terwijl hij probeerde zijn spanning te verbergen:
“Niets… behalve dat ik ervan overtuigd ben dat u geen koffiegenoot bent.”
Zijn leraar lachte kort:
“Dat klopt, maar vandaag wilde ik een kopje met jou, en over de gebeurtenissen van gisteravond praten. Vertel me over de tijd dat je niet in de winkel was, vanaf het moment dat je de stof meenam tot je terugkeer vlak voor sluitingstijd.”
Numan keek hem nauwkeurig aan en zei:
“Maar, leraar… zou u boos worden als ik u om drie dingen vraag?”
De heer Abu Mahmoud hief een wenkbrauw en zei:
“Alleen deze keer… ik zal niet boos worden. Kom maar, zeg wat je wilt.”
Numan haalde zijn keel en begon:
“Ten eerste, vergeef me, ik wil niet praten over wat er gisteren gebeurde. Ten tweede wil ik het geld teruggeven dat u me gaf; de prijs voor de zoetigheden is genoeg.”
Voorzichtig legde hij drie biljetten voor zijn leraar neer.
De heer keek even en vroeg toen:
“En ten derde?”
Numan sprak met een stem waarin vastberadenheid en verdriet samenvloeiden:
“Ik hoop dat u iemand nieuw vindt om in de winkel te werken. Ik blijf tot die tijd tot uw dienst…”
Er viel een korte stilte, alsof de heer Abu Mahmoud de tussenliggende regels las. Daarna sprak hij met een zachtere toon:
“En verder nog iets?”
Op dat moment kwam er een man de winkel binnen. Zijn houding ademde waardigheid. Langzaam liep hij naar hen toe en zei beleefd:
“Goede dag… excuseer me, mag ik me bij u voegen?”
De heer Abu Mahmoud verwelkomde hem onmiddellijk:
“Goedendag, welkom. We stonden op het punt het gesprek over gisteravond voort te zetten… ga zitten.”
Intussen droeg Numan de kopjes en het glas naar de zijkamer en nam daar plaats. Hij dronk zwijgend van zijn koffie, maar in zijn borst brandde een gevoel van verzet; hij kon niet goed verkroppen dat zijn leraar deze man accepteerde, terwijl diens dochter zich zo had misdragen in het openbaar.
De man vroeg of hij de heer Abu Mahmoud even privé kon spreken. De heer draaide zich om en riep luid:
“Numan, jongen! Breng ons wat zoetigheden van de winkel waar je ze gisteren kocht… neem het geld van de tafel.”
Numan verliet de winkel en keerde een halfuur later terug met een bord baklava. Hij plaatste het voorzichtig in een klein schaaltje, bood het zijn leraar aan zonder een woord te zeggen en haastte zich toen naar de stoep aan de overkant. Daar stak hij een sigaret op en wachtte geduldig tot de man zou vertrekken.
Langzaam druppelden de klanten de winkel binnen. De heer Abu Mahmoud gebaarde hen vriendelijk te wachten tot Numan terugkwam.
Een van de klanten riep een drager, die snel kwam en vroeg naar Numan. Hij wees naar hem en zei:
“Daar staat hij, op de stoep.”
De klant zei:
“Alsjeblieft! Roep hem even, zodat hij je kan begeleiden naar de spullen die ik klaar heb laten zetten en ze in mijn auto kan laden. Dit is alvast je beloning.”
Hij wees naar zijn witte auto, geparkeerd achter een nabijgelegen vrachtwagen, en vervolgde:
“De achterdeur staat open, let goed op de spullen.”
De drager draaide zich om en riep:
“Meester Numan! Snijd ons niet in de winst, we hebben werk te doen!”
Numan stapte stil de winkel in en wees naar een grote kartonnen doos:
“Draag dit naar de auto van handelaar Abu Said, en als je wilt, kun je daarna nog meer werk doen.”
De klanten stelden elkaar vragen, en Numan antwoordde beleefd en geduldig. Een van hen wilde een eerder teruggebrachte stof hebben, maar Numan antwoordde verontschuldigend:
“Helaas, Abu Zuhair, die stof is gisteren verkocht.”
De handelaar vroeg of er snel een nieuwe geregeld kon worden. Numan keek naar zijn leraar, die het gesprek overnam en de klant beloofde het te proberen.
De vreemde man bleef op zijn plek, observeerde Numan in zware stilte, terwijl Numan deed alsof hij hem niet zag en het lang bij de deur uithield.
Eindelijk riep heer Abu Mahmoud hem:
“Numan, kom eens hier, jongen!”
Numan liep erheen en antwoordde beleefd:
“Ja, leraar, zal ik iets voor u halen?”
De heer Abu Mahmoud wees naar de man en zei:
“Niet nodig… maar meneer Ahmed wil iets van je.”
Numan zuchtte en zei:
“Goed, insha’Allah. Wat wil hij nu weer?”
De heer stond op, streek zijn kleding glad en zei met een zachte glimlach:
“Het is tijd voor het gebed. Ik ga naar de moskee.”
Hij pakte een klein handtasje met een handdoek en schoenen, en liep naar de deur terwijl hij hen vriendelijk gedag zei. Numan bleef achter, aan de drempel van een nieuw moment… anders dan de middagen die hij tot nu toe had gekend.
Hoofdstuk vijf 05:
De man strekte zijn hand uit, glimlachend, en zei met een rustige stem:
“Assalamu alaikum.”
Numan hief zijn blik en antwoordde kortaf, en schudde langzaam de hand van de man, alsof iets in hem terughield, maar toch voldeed hij aan de beleefdheid van de ontmoeting.
De bezoeker ging zitten, hief zijn handen een beetje op alsof hij om toestemming vroeg, en sprak vervolgens met een lichte aarzeling:
“Vertel me over je, Numan. Volgens wat ik van de eigenaar van de winkel, Abu Mahmoud, heb begrepen… ben je een toegewijde jongeman, iemand die niet afgeleid raakt door voorbijgangers op straat, maar zijn ogen richt op zijn doelen. Vertel me meer over jezelf. Ik denk dat het tijd is dat we elkaar wat beter leren kennen.”
Hij ademde even in en voegde eraan toe:
“Ik zal je tijd niet te veel nemen, ik weet dat je verantwoordelijkheden hebt. Mijn naam is Ahmed Abdel Karim, civiel ingenieur, 45 jaar oud, afkomstig uit Beiroet. Ik heb daar een eigen ingenieursbureau en ben mede-eigenaar van een van de grootste bouwondernemingen die ooit is opgericht door de vader van mijn overleden vrouw. Later kwamen ook haar zwager en enkele van haar familieleden, ervaren ingenieurs en aannemers, bij ons.”
Hij pauzeerde enkele seconden, alsof hij zijn ademhaling wilde herpakken, en sprak toen zachtjes:
“Mijn vrouw en ons kleine kind zijn vorig jaar omgekomen bij een verschrikkelijk ongeluk in Beiroet. Alleen mijn dochter, Muna, bleef over. Zij was gisteren ook bij mij.”
Een stilte viel, zwaar en geladen, voordat hij met een stem vol emotie verderging:
“Sinds die tragedie heb ik mijn leven voor haar stilgezet. Ik doe alles wat nodig is om haar te beschermen tegen het gemis van haar moeder en broer, zodat ze haar eenzaamheid niet voelt. Gisteravond… toen ze zich tegen jou misdroeg, Numan, zweer ik je dat ze het niet zo bedoelde. Ze heeft die nacht niet geslapen, ik sprak met haar op een manier die ze niet van me gewend was, en wees haar op wat ze had gedaan.”
Numan hief langzaam zijn hoofd, zijn stem vermengd met een vleugje verdriet:
“God zegene degenen die u hebt verloren, en moge het Paradijs hun deel zijn… Maar, alstublieft, wat heeft dit met mij te maken?”
De heer Ahmed glimlachte weemoedig:
“Je hebt helemaal gelijk dat je je afvraagt… Waarom jij? Waarom zijn we hier in Damascus? Waarom zochten we juist deze stof? En waarom werd Muna boos toen ze het hier vond en vond dat je niet meewerkte?”
Hij haalde diep adem en vervolgde:
“Wat ik je vertel is geen rechtvaardiging voor wat ze deed, niet omdat ze een verwend meisje is, of omdat ze mijn enige dochter is, maar omdat ze simpelweg… mijn leven is. Een jong meisje, gevoelig van aard, haar moeder is kort geleden overleden en ze hangt nog steeds aan haar.”
Plotseling viel hij stil, haalde een zakdoek uit zijn zak en veegde de tranen weg die ongemerkt over zijn wangen stroomden. Zijn ogen waren rood van emotie. Hij boog zijn hoofd om zijn ontroering te verbergen en sprak met een ingehouden stem:
“Haar moeder is verbrand bij dat ongeluk… net als haar broer.”
Zijn stem haperde toen hij verderging:
“Ze droeg een nieuw ontworpen jurk van een meesterkleermaker. Ze zou er als een koningin in hebben gestraald tijdens het eindexamenfeest van mijn dochter Muna… Haar grootouders, de ouders van mijn overleden vrouw, hadden dat feest speciaal voor haar georganiseerd. Maar het noodlot sloeg toe, mijn vrouw en mijn zoon kwamen om bij het ongeluk terwijl ze naar het hotel werden gebracht dat voor die gelegenheid was geboekt. Van die jurk is nu slechts een paar kleine stukjes over, nauwelijks herkenbaar. Het stuk dat Muna heeft, is het grootste restant. Ze wil al maanden een vergelijkbare stof kopen om er een jurk van te maken, die ze zal dragen ter nagedachtenis aan haar moeder, broer en grootouders. Muna en haar tantes hebben in alle stoffenwinkels in Libanon gezocht… totdat degene die de jurk had gemaakt hen vertelde dat deze stof uit Damascus kwam, aanbevolen voor zeer speciale gelegenheden. Zo zijn we hier gekomen. Al een week lang zoeken we dagelijks, van ’s ochtends tot ’s avonds.”
In het begin luisterde Numan koel, met zijn rug recht tegen de stoel, maar langzaam begonnen zijn trekken te verzachten. Hij leunde iets naar voren, stak opnieuw zijn hand uit en sprak met een stem vol emotie:
“Het spijt me, meneer, als mijn gedrag u heeft beledigd… maar waarom liet u mij gisteren achter? U ging zelfs winkels binnen waar u niets te zoeken had… Ik voelde me gestraft! Ik begon te denken dat u me vernederen wilde… Ik liep achter u alsof ik een slaaf was. Was ik verkeerd? Vergeef me, alles raakte in de war in mijn hoofd, en het deed pijn.”
Hij boog zijn hoofd even en vervolgde, zijn woorden waren een poging uit te leggen dat alles wat gebeurde geen harde woorden waren, maar een aanval op iets breekbaars in hem, iets dat nog geen naam had:
“Ik hield alles voor mezelf, om mijn eigen waardigheid te bewaren… en uit respect voor mijn leraar. Hij zag in mij een beeld van zijn eigen dromen, en gaf me een verantwoordelijkheid die hij in zijn jeugd niet had vervuld. Hij zette in op mij. Daarom smeekte ik sommige handelaren en dragers om mijn leraar niets te vertellen van wat ze zagen. Het klopt dat ik een eenvoudige knecht ben, maar ik weet hoe ik moet nadenken en waar ik mijn voeten zet. Dus, alstublieft, laat me met rust. Breng uw dochter mijn excuses over, of vertel haar de waarheid, en zeg haar dat het me spijt van het verlies van haar moeder, broer en grootouders.”
Op dat moment betrad Abu Mahmoud de winkel. Numan stond onmiddellijk op, excuseerde zich opnieuw bij de gast en ontving zijn leraar beleefd bij de deur:
“God zegene u, mijn leraar.”
De leraar antwoordde kalm:
“God aanvaard onze goede daden.”
Hij ging achter zijn bureau zitten en vroeg:
“Kon je het verzoek van meneer Abu Zuhair regelen? Ik ontmoette hem in de moskee en hij vroeg opnieuw naar jou.”
Numan naderde zachtjes en fluisterde:
“Leraar, het verzoek dat Abu Zuhair wil… ligt bij deze man. Alsjeblieft, ik wil er niet opnieuw over spreken.”
Daarna hief hij zijn hoofd en zei duidelijk hoorbaar:
“Met uw toestemming ga ik nu het middaggebed verrichten.”
Meneer Ahmed bleef zitten, turend naar de papieren in zijn handen, alsof hij iets zocht dat verder ging dan de cijfers.
Toen Numan terugkwam van gebed, lag de stof uitgespreid op de tafel, zonder enige begeleider. Hij keek zijn leraar verbaasd aan, maar die glimlachte, met een kalme, enigszins mysterieuze toon:
“Meet alsjeblieft tweeënhalve meter van deze stof, pas de gegevens aan. Meneer Abu Zuhair komt het ophalen. Neem ook goed verpakkingspapier en een degelijke zak… van de losse winkels. En deze keer betaal jij.”
Hij voegde eraan toe, terwijl hij de verbazing op Numan’s gezicht zag:
“En later praten we erover.”
Numan voerde de instructies uit en bracht de nette verpakking terug naar zijn leraar:
“Alstublieft, mijn leraar.”
Een paar minuten later kwam handelaar Abu Zuhair binnen. Numan overhandigde de stof, de leraar nam het geld aan, en de handelaar vertrok snel.
Numan naderde zijn leraar voorzichtig en vroeg:
“Als u het toestaat… hoe is dit allemaal gebeurd?”
De meester glimlachte en zei:
“Het is eigenlijk simpel. Er was een man die per se een hoeveelheid stof wilde kopen, maar hij had slechts tweeënhalve meter nodig en betaalde meer dan hij eigenlijk kon missen. Tegelijkertijd hadden we een handelaar die de rest van de stof nodig had, ongeacht de omstandigheden. Wij hebben beide bestellingen afgehandeld, en ik beschouwde jou als de detailhandelaar die meneer Ahmed bediende… en alle winst die zo werd gemaakt, kwam naar jou, zonder dat je het wist.”
Daarna haalde hij een bedrag uit een lade en zei zacht maar beslist:
“Dit is het geld, het is van jou.”
Numan antwoordde eerlijk, zonder iets te verbergen:
“Dank u, mijn leraar… ik werk hier, en ik ontvang mijn loon regelmatig. Ik denk niet dat ik iets heb gedaan dat dit waard is.”
De meester schudde zijn hoofd, legde het geld terug in een klein kistje en sprak met een toon die zowel streng als warm was:
“Dan bewaar ik het voor je, tot het einde van je dienst. Het is bijna sluitingstijd, ik ga naar boven om te eten en even uit te rusten. Jij sluit de winkel… en er zal iemand bij de deur op je wachten.”
Na een korte pauze voegde hij toe, met een zorgvuldig gekozen stem:
“Het is een uitnodiging voor de lunch. Ik heb vertrouwen in de gast, dus wees niet bang om te accepteren. Ik vertrouw jou en je oordeel, dus doe wat je passend acht… maar vergeet niet de winkel na de middag weer te openen. Ga in Gods bescherming.”
De meester liep stilletjes de zijkamertrap op, terwijl hij gebeden en smeekbeden prevelde. Numan bleef staan, zijn hoofd vol vragen:
“Wie is die man? Waarom nodigt hij mij uit? Kan ik hem vertrouwen? Moet ik beleefd afslaan?”
Toch was er een zacht stemmetje in hem dat hem aanmoedigde om te gaan… misschien uit nieuwsgierigheid, misschien uit iets anders… iets dat op rechtvaardigheid leek.
Hoofdstuk zes 06:
Numan deed de deur van de winkel achter zich dicht en bleef op het trottoir staan, wachtend. Nog geen ogenblik later stopte er een zwarte Buick voor hem, langzaam voortbewegend door het drukke verkeer. Het raam ging naar beneden, en het gezicht van meneer Ahmed verscheen, glimlachend, met een lichte haast in zijn stem:
“Schiet op, jongen! De straat is smal en de auto’s achter me beginnen te toeteren!”
Numan aarzelde even, maar opende toen de deur en ging naast de man zitten, sloot hem zachtjes en begroette hem verlegen. Meneer Ahmed ontving hem met een oprechte glimlach:
“Welkom, meneer Numan, en dank dat u mijn uitnodiging hebt aangenomen… nee, dank dubbel, omdat u mij vertrouwde!”
Hij wist precies dat Numan hier alleen was gekomen dankzij de aanbeveling van Haj Abu Mahmoud, de man die in het hart van de jongen stond als een stevige stam van een kinderboom.
Numan sprak voorzichtig:
“Maar ik hoop dat we niet te lang wegblijven. Ik moet om kwart voor vijf weer in de winkel zijn om wat zaken voor te bereiden voordat Haj arriveert.”
Ahmed glimlachte geruststellend:
“Wees niet bang. Ik heb het Haj verteld en alles met hem geregeld. We zullen niet lang wegblijven… laten we eerst maar uit dit verkeer komen.”
De auto reed door de straten van Damascus tot ze voor de ingang van een elegant hotel stopten, waar Ahmed en zijn dochter verbleven. Samen gingen ze naar de vooraf gereserveerde kamer. Ahmed wees Numan op een bank bij het raam en zei met een warme toon:
“Muna, liefje… we zijn er. En dit is meneer Numan, die erop stond met me mee te komen om zich bij jou te verontschuldigen!”
Numan verstijfde en keek de man verbaasd aan:
“Verontschuldigen? Wat bedoelt u, meneer?”
Ahmed wuifde vaag en fluisterde bijna speels:
“Niet te nauw kijken, meneer Numan… werk gewoon even met me mee, alsjeblieft.”
Maar Numan weigerde deel te nemen aan het spel. Hij stond plotseling op, zijn stem doordrenkt van pijn:
“Het spijt me… ik kan geen onderdeel zijn van een toneelstuk. Wat er gisteravond gebeurde is genoeg, en ik wil het niet herhalen. Ik ga terug naar mijn werk… dag.”
Hij bewoog zich vastberaden naar de deur, maar Ahmed volgde hem, greep zachtjes zijn arm en smeekte oprecht:
“Blijf alstublieft… deze ene keer. Ik bied mijn excuses aan jou aan, ik vraag niets onmogelijks… geef haar gewoon een kans… alsjeblieft.”
Er glommen momenten van hoop in zijn ogen terwijl hij Numan’s arm vasthield, alsof hij zich vastklampte aan een reddingsboei. Op dat moment klonk een scherpe, boze stem vanuit de kamer:
“Ik wil hem niet zien! Stuur hem weg, papa! Ik wil die idioot niet zien!”
Het was Muna. Toch liet Ahmed de arm van de jongen niet los, maar wees hem in plaats daarvan de weg naar de receptieruimte op de begane grond, waar ze rustig konden praten.
Ze gingen zitten in een rustige hoek van de lounge. Ahmed sprak met een zachte stem vol verdriet en smeekbede:
“Laten we het verleden vergeten en opnieuw beginnen. Ik heb je over het ongeluk verteld, maar niet hoe het in Muna een onverwerkelijk litteken heeft achtergelaten. Voor een meisje van haar leeftijd om plotseling haar moeder, broer en grootouders te verliezen… dat kan geen menselijk hart verdragen. Ze is sinds dat ongeluk veranderd. Ze vertrouwt niemand meer, en elk gedrag dat haar moeder’s herinnering lijkt te schaden, ervaart ze als een persoonlijke aanval.”
Hij zweeg even, keek Numan recht in de ogen en sprak toen verder, met een toon waarin vermoeidheid en tederheid zich vermengden:
“Je gedrag van gisteren… die kalmte, dat zelfbeheersing — het was pure waardigheid. Maar Muna zag het als onverschilligheid, als een verkapte belediging. Het stukje stof dat ze bij zich droeg… dat was van haar moeder. Ze heeft het nooit losgelaten sinds haar dood. Wat ze nu doormaakt, dat kokende mengsel van herinnering en verdriet, maakt dat ze in elke toenadering een bedreiging ziet, en in elke vriendelijkheid een valstrik. Sinds het overlijden van haar moeder loopt ze rond alsof ze over een open wond wandelt — ze verwondt, en wordt verwond, zonder het zelf te beseffen.”
Een traan gleed over zijn wang; hij veegde hem haastig weg en zuchtte:
“Ik vraag je niet om je te verontschuldigen omdat je fout zat, maar om haar een beetje verlichting te geven — haar te helpen los te komen uit de schaduw van dat drama dat haar nog steeds verstikt. Geloof me, dit is niet de eerste keer dat ze iemand verliest door haar manier van reageren. We hebben familie verloren in Beiroet… daarom zijn we hier, in Damascus. We zoeken een nieuw begin — net zoals we dat zeldzame Damascene doek zoeken.”
Hij glimlachte moeizaam, stak zijn hand naar Numan uit en zei zacht:
“Vrede, vriend? Ik kan wel iemand als jij gebruiken… Ik heb het gevoel dat God je op mijn pad heeft gebracht. Ik weet niet waarom, maar praten met jou lucht op. Toch draag ik iets zwaars, iets bitters. Sinds ik mijn vrouw en mijn zoontje verloor, is Muna alles wat ik heb. Ze is het enige wat me nog bindt aan dit leven — mijn enige taak is haar beschermen.”
Ondanks zijn open houding jegens mensen, droeg meneer Ahmed een constante onrust in zijn hart. Een stille angst — voor Muna’s uitbarstingen, om haar teleur te stellen, om een fout te maken die haar opnieuw zou breken. Dat oude schuldgevoel dat hem niet losliet, maakte dat hij zijn trots opzijzette tegenover Numan — alsof hij in hem een redding zag.
Numan keek naar de uitgestoken hand, greep ze langzaam vast en zei kalm:
“Uw vriendschap betekent veel voor me, meneer Ahmed. Ik zal u helpen waar ik kan. Maar uw dochter… dat is iets anders. Ik kan geen band met haar aangaan, geen gesprek, zelfs geen blik. Ik hoop dat u dat begrijpt.”
Ahmed glimlachte weemoedig, met iets van vaderlijke goedheid in zijn ogen:
“Je hebt gelijk, jongen… en toch, dank je. Laat me je morgen uitnodigen voor een eenvoudige lunch.”
Hoofdstuk zeven 07:
De volgende dag sloot Numan de winkel rond het middaguur. Nog voordat hij de stoep bereikte, zag hij meneer Ahmed al in de buurt staan, steunend op zijn auto, alsof hij niet de weg, maar de tijd in de gaten hield.
Ze stapten samen in en de auto gleed door de straten van Damascus tot ze bij een parkeerplaats in het stadscentrum arriveerden. Meneer Ahmed keek voorzichtig om zich heen en lachte toen:
“Dit is jouw stad… ken je hier een goed traditioneel restaurant?”
Numan glimlachte kalm en schudde het hoofd:
“Geloof me, mijnheer, in Damascus ken ik alleen de weg naar de winkel.”
De man lachte hartelijk, liep naar een klein winkeltje, vroeg even iets en kwam terug terwijl hij Numan bij de hand pakte en enthousiast zei:
“Kom mee… iemand heeft me een goed restaurant in de buurt gewezen.”
Ze liepen samen, slingerend tussen straatjes alsof ze tastend door een onbekend geheugen gingen. Numan aarzelde en vroeg voorzichtig:
“Waar gaan we eigenlijk heen?”
Meneer Ahmed glimlachte geheimzinnig:
“Kijk, we zijn er!”
Voor hen stond een elegant restaurant, waarvan de ramen een warme geur van specerijen verspreidden die herinneringen opriepen. Een glimlachende ober begroette hen en leidde hen naar een tafel die op het eerste gezicht nog niet was opgeruimd; er lag nog een zwarte damesportemonnee en wat verspreide resten.
Numan ging aarzelend zitten. Hij bestudeerde de portemonnee zonder een woord te zeggen, maar sprak uiteindelijk verlegen:
“Zoals u wilt, mijnheer… of zoals afgesproken met de jonge dame, klaar gemaakt alsof… of alsof er geen afspraak was.”
Meneer Ahmed barstte in lachen uit:
“Zo, meneer Numan, we hebben je doorzien!”
Voordat Numan kon antwoorden, verscheen een meisje in een zwarte broek en een grijze trui met lange mouwen. Ze sprak tegen haar vader:
“Jullie zijn veel te laat, papa… ik heb al de helft van de noten opgegeten, zo’n honger!”
Haar vader wees naar Numan:
“Maak kennis met hem… dit is de slimme, bewuste jongeman waar ik je over vertelde.”
Ze antwoordde nonchalant terwijl ze naar de ober wuifde (of dat dacht Numan tenminste):
“Laat me eerst eten… praten kan later.”
Het eten arriveerde en ze aten in stilte. Numan nam slechts een paar hapjes zonder zijn blik op te heffen. Meneer Ahmed wenkte de ober om goed voor hem te zorgen, en de tafel vulde zich met diverse gerechten.
Achter de smaken van het eten dwaalden hun gedachten als stille geesten. Muna at gulzig, alsof de honger haar zenuwen uitputte. Maar langzaam begonnen haar trekken zachter te worden, vervaagde de hardheid op haar gezicht, en kwam er een zekere rust.
Numan merkte de verandering die langzaam in haar plaatsvond, maar bleef beheerst, zijn blik gericht op de rand van zijn bord, slechts af en toe glijdend naar Muna, die tegenover hem zat en hem vluchtig aankeek. Toen ze zijn afgemeten houding opmerkte, wierp ze hem een blik die haast fluisterde:
‘Negeer je me? Of ben je te beleefd om iets te zeggen?’
Numan keek opnieuw naar zichzelf en verloor zich enkele seconden in gedachten. Iets, of misschien iemand, sprak tot hem – een stem die zonder woorden met hem communiceerde in de stilte van zijn eigen innerlijke wereld:
“Numan, jij, de jonge, conservatieve man uit het platteland… sinds je Damascus bent binnengekomen, beginnen je overtuigingen langzaam te verschuiven. Zonder dat je het merkt, doet de stad met haar markten, drukte en kleuren iets met de fundamenten die je dacht dat vaststonden.”
Tijdens een korte stilte tussen twee happen fluisterde Muna:
‘Je houdt niet van praten tijdens het eten… toch?’
Numan keek op en zag hoe haar ogen zich verscholen achter een sluier van vermoeidheid en honger, maar er glinsterde iets anders… iets dat leek op een verontschuldiging, zonder dat ze woorden nodig had.
Het vergde weinig inzicht van Numan om te begrijpen dat dit meisje, dat ooit zo fel kon reageren, veranderd was. Er was iets in haar gebroken, of misschien was het slechts tijdelijk verzwakt door uitputting, of geraakt door zijn stille aanwezigheid, die niets eiste en haar onbeleefdheid slechts beantwoordde met geduld en mildheid.
Muna probeerde, op haar eigen onhandige manier, te zeggen:
‘Ik ben niet wie je denkt dat ik ben…’
Numan, met zijn kalme waarneming, hoorde die stille boodschap. Hij glimlachte zachtjes en vulde haar glas water bij, zonder een woord te zeggen.
Langzaam hief hij zijn hoofd, pauzeerde even met eten en sprak toen zacht:
‘Niet helemaal… ik denk eerder dat ik het niet goed kan, vooral niet in zulke onverwachte momenten.’
Ze glimlachte lichtjes, alsof iets fragiels in haar barstte. Ze had niet verwacht dat hij zo rustig zou antwoorden, zonder boosheid, zonder terughoudendheid – slechts dat voorzichtige, milde begrip.
De stilte die volgde voelde bijna tastbaar, als een dunne laag vallend katoen, zacht en verlegen.
Muna, die vroeger snel vlam vatte, tastte nu voorzichtig naar haar woorden, alsof ze haar weg zocht in de duisternis van haar eigen hart.
Meneer Ahmed mengde zich glimlachend in het gesprek:
‘Muna, breng onze gast niet in verlegenheid… hij is geduldig, maar hij houdt niet van verrassingen, zoals we gisteren en eerder hebben gezien!’
Ze lachten allen zacht, zelfs Muna, hoewel er in haar lach een vleugje aarzeling zat.
Toen sprak ze, ditmaal zonder scherpte:
‘Ik was gisteren en eerder boos… heel erg. En ik geef toe dat ik me niet goed heb gedragen.’
Numan herzag zijn houding tegenover Muna. Ondanks het aanvankelijke gevoel van vernedering, ondanks dat dit zijn eerste persoonlijke schok was die zijn stille trots deed wankelen, voelde hij iets bewegen in zijn hart. Niet uit zwakte of onderdanigheid, maar uit diep menselijk medeleven. Hij zag de echte menselijke kant van Muna: haar vermoeidheid, de harde laag die haar angst verhulde, haar onvermogen om zacht te reageren… gecombineerd met het verhaal van haar vader over haar tragedie. Alles samen raakte iets in hem dat wakker werd, een stille erkenning van hun gedeelde menselijkheid.
Ook vandaag, vanaf het moment dat Muna het restaurant betrad, was de harde, scherpe kant die Numan van haar kende nergens te bespeuren. Ze was vermoeid, zachter van aard, haar scherpte gesmolten door inspanning en spanning. En Numan, opgevoed met respect voor de kwetsbaarheid van de mens, zelfs bij een tegenstander, kon zijn rug niet van haar keren.
Hij probeerde de innerlijke strijd die in hem woedde te beëindigen voordat deze hem volledig in beslag nam: het conflict tussen zijn oude, starre overtuigingen en zijn natuurlijke drang om verontschuldigingen en begrip te zoeken, hopend op verandering in mensen. Muna belichaamde nu die scherpe tegenstelling die hij in zichzelf herkende. Daarom luisterde hij naar haar – niet omdat hij zijn oude overtuigingen volledig had losgelaten, maar omdat het leven hem een nieuwe les leerde:
“Harten zijn niet zwart of wit, maar een samenspel van kleuren,” zoals zijn leraar ooit zei.
Hij knikte respectvol als antwoord op haar verontschuldiging:
“En ik bied ook mijn excuses aan… als ik iets dat voor jou waardevol is heb geminimaliseerd… dat was niet mijn bedoeling.”
Er viel een korte stilte, maar deze keer was het stilzwijgen rustig, licht, alsof iets kleins zich zachtjes tussen twee harten had genesteld.
De ober naderde en vroeg of ze koffie wilden. Muna zei:
“Als Numan het niet erg vindt, dan neem ik graag sterke koffie.”
Numan glimlachte kalm:
“Die drink ik ook graag… hoewel ik vaker de zoetere variant neem.”
Meneer Ahmed wenkte de ober:
“Drie kopjes sterke koffie, en de rest laat ik aan jou over.”
Muna lachte en zei tegen haar vader:
“Geen twijfel, jij zult wel knafeh of iets dergelijks bestellen… zoals altijd.”
Hij knipoogde naar haar:
“Nee, voor jou… en om de balans weer recht te zetten. Zoetigheid herstelt wat woorden hebben beschadigd.”
Toen richtte hij zich tot Numan, met een zachte, vaderlijke toon:
“Wat denk je ervan? Zijn we niet op een goed begin van een nieuwe weg?”
Numan glimlachte oprecht:
“Als harten zuiver zijn… is elke weg goed.”
Hij stond op om zijn handen te wassen, gevolgd door meneer Ahmed. Terwijl het water over zijn vingers stroomde, zei Ahmed:
“Overmorgen is het vrijdag… een vrije dag. Zullen we die samen doorbrengen? Damascus heeft plekken die het waard zijn om te zien.”
Numan droogde zijn gezicht met een papieren handdoek en antwoordde:
“Ik heb overmorgen wat verplichtingen…”
Meneer Ahmed onderbrak hem met een glimlach:
“Stel ze dan uit… Ik zie je om negen uur ‘s ochtends op de gebruikelijke plek. Weiger niet, alsjeblieft. Heb je niet gezien hoe blij we waren je vandaag te ontmoeten?”
Numan knikte instemmend, in stilte, terwijl ze terugkeerden naar de tafel.
Toen ze hem bij de Hariqa afzetten, en Numan bijna uit de auto stapte, vond Muna eindelijk de moed om zacht te spreken, nauwelijks hoorbaar voor Numan:
“Het ging zo snel… alsof wat er kort geleden gebeurde… het enige moment was dat oprecht voelde.”
Ze vervolgde iets luider:
“–Dank je voor je vriendelijkheid vandaag… en voor je geduld, ook.”
Numan draaide zich naar haar om, een zachte warmte in zijn ogen die er eerder niet was geweest, en sprak met een kalme toon:
– “Graag gedaan… of beter gezegd, ik ben vandaag juist de gast bij jullie geweest. Het is aan mij om jullie te bedanken, niet andersom.”
Hij sloot de deur zachtjes en liep rustig weg, maar zijn stappen waren lichter dan gewoonlijk, alsof er iets in zijn hart stilletjes begon te bewegen, onzichtbaar en onverwoordbaar.
Terug in de winkel stapte Numan met een ongebruikelijke rust naar binnen. Zijn groet klonk rijk en enigszins dromerig, en hij begaf zich naar de toonbank, alsof hij zich een weg baande door een woud van gedachten dat nog steeds niet tot rust was gekomen. De woorden van Muna weerklonken nog in zijn hoofd:
“Het ging zo snel… alsof wat er kort geleden gebeurde… het enige moment was dat oprecht voelde.”
Op de achtergrond was Haji Abu Mahmoud de facturen achter zijn kleine bureau aan het ordenen. Hij keek op, glimlachte en zei:
– “Je bent een beetje laat, jongen… maar je gezicht verraadt dat deze tijd niet voor niets is geweest.”
Numan antwoordde terwijl hij de andere voordeur opende:
– “Ja… het was een ander soort ontmoeting. Alsof ik iemand ontmoette en een plek bezocht die helemaal niet zoals gewoonlijk was.”
Haji kwam dichterbij en legde zacht een hand op zijn schouder:
– “Sommige ontmoetingen lijken op regen, Numan. Je weet nooit wanneer ze vallen, maar ze laten iets in je achter dat je nooit vergeet.”
Numan boog lichtjes met een warme, licht melancholieke toon:
– “Wat is het leven vreemd… soms is het vreemde dichterbij dan het bekende.”
Haji Abu Mahmoud lachte zacht en plaagde hem:
– “Zie je nu wat je eerder niet zag? Of zijn je ogen gewoon zachter geworden?”
Numan antwoordde niet meteen. Hij leunde op de toonbank en begon rustig enkele stoffen op te vouwen, alsof hij daarmee ook een deel van zijn twijfel opborg. Na een korte, zachte stilte sprak hij:
– “Muna… was vandaag anders. Minder streng… alsof er iets veranderd was.”
Haji, terwijl hij de papieren weer op hun plek legde, zei:
– “Misschien ben jij degene die veranderd is, Numan. Soms, als we innerlijk kalmeren, horen we de ander op een nieuwe manier.”
Een korte stilte volgde, alleen onderbroken door het geluid van zorgvuldig gevouwen stof.
Numan hief zijn hoofd en staarde naar het licht dat door het etalageraam naar binnen viel. Hij sprak zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak:
– “Ik weet niet precies wat er veranderd is… maar ik kijk niet langer naar haar als degene die mij pijn deed. Er is iets… iets dat lijkt op berouw in haar ogen, of misschien ben ik… ik ben degene die haar op een nieuwe manier leert lezen.”
Haji Abu Mahmoud legde een hand op zijn schouder, met een stem vol wijsheid:
– “Wees niet bang om te voelen, jongen. Een hart dat nooit verzacht… wordt vroeg oud.”
Hij keerde terug naar zijn werk en liet Numan achter in zijn gedachten. Numan vouwde het laatste stuk stof, maar deze keer keek hij er langer naar, misschien omdat de kleur hem deed denken aan de grijze trui die Muna vandaag droeg.
Terwijl hij verzonken was in die fluwelen stilte, rinkelde de deurbel. Een klant kwam binnen, en Numan schrok even, herpakte zich toen met zijn gebruikelijke glimlach… maar zijn hart was niet meer zoals het vóór vandaag was.
De klant was een nette man van in de veertig, met in zijn gezicht een vermoeidheid die Numan bekend voorkwam; alsof hij een lange dag achter de rug had en nog geen tijd had gehad om op adem te komen.
Numan begroette hem vriendelijk en gebaarde terwijl hij zich achter de toonbank bewoog:
– “Alles voor u… wat wilt u graag zien?”
De man bekeek de zorgvuldig opgestapelde stoffen met zijn ogen en antwoordde:
– “Ik zoek een stof die zomer ademt… licht, maar toch waardig.”
Numan glimlachte, alsof het verzoek een snaar in hem raakte:
– “Er is een nieuw soort binnengekomen een paar dagen geleden… licht, maar het behoudt zijn vorm, zoals iemand die zichzelf kent en niet doet alsof.”
Hij haalde een lichtblauwe stof tevoorschijn en spreidde die voorzichtig op de toonbank uit. De klant strekte zijn hand uit, voelde de stof en zei bewonderend, bijna fluisterend:
– “Alsof het de schaduw van een wolk op zee is.”
Numan knikte, maar zei niets. Hij voelde dat de woorden betekenis kregen in hem, dat ze de plaats van de spreker in zijn binnenste opnieuw ordenen. Dit moment, zo eenvoudig, leek op verhalen die beginnen zonder lawaai.
Terwijl de klant zich concentreerde op de kleuren, klonk de stem van Haji Abu Mahmoud vanachter:
– “Verklein de waarde van kleine momenten niet, Numan… het zijn die momenten die het verschil maken tussen een gewone dag en een dag die verteld wordt.”
Numan antwoordde zonder om te kijken:
– “Kan het leven echt veranderen door een blik? Of door een woord dat onbedoeld wordt gezegd?”
Haji lachte en liep naar de etalage:
– “Het leven zelf kan beginnen met een drukfout… of een punt op de verkeerde plaats.”
Toen keek hij speels naar de klant:
– “En soms begint het met een steek die niet perfect is gezet.”
Iedereen lachte, en de sfeer werd warm en vertrouwd. De klant koos de hoeveelheid stof die hij nodig had, betaalde en liet zijn adres achter op een klein kaartje. Daarna vertrok hij, zwaaiend en zeggend: “Ik verwacht mijn bestelling morgen.”
De rust keerde terug in de winkel, maar het was een andere rust… doordrenkt met een nieuwe geur, alsof de eerste regen de droge aarde had geraakt.
Numan ging achter de toonbank zitten en begon iets in een klein schriftje te noteren, dat hij in het onderste laatje verstopte. Schuin schreef hij:
“Vandaag voelde ik dat harten niet vanzelf genezen… iemand moet ze raken, met een woord, of met onverwachte zachtheid.”
Hij sloot het schrift en leunde achterover tegen de muur. In zijn ogen begon iets van zijn droom te ontluiken.
De volgende ochtend klom de zon langzaam aan de hemel, terwijl de lucht nog een vleugje frisse ochtendlucht bewaarde. Numan stond voor de etalage van de stoffenwinkel en ordende voorzichtig de doeken, toen een klein jongetje binnenstapte, een keurig ingepakt pakketje in zijn dunne hand geklemd.
Het jongetje stapte aarzelend naar hem toe en zei zacht:
– “Oom… iemand gaf me dit briefje en zei dat ik het aan u moest geven.”
Numan nam het pakketje verbaasd aan en vroeg het jongetje:
– “Wie heeft het je gegeven?”
Het jongetje antwoordde spontaan:
– “Een wat langer meisje, zwart haar in een staart… ze stond op de hoek van de straat. Ze zei haar naam niet, maar zei dat u wel zou weten wie zij is.”
Numan bedankte het jongetje en gaf hem een stukje snoep van de toonbank. Vervolgens opende hij langzaam het envelopje en vond een klein briefje, met sierlijk handschrift:
“Niet al onze beginnen zijn perfect… maar sommige momenten herschikken ons innerlijk. Dank dat je niet hard was. – M”
Het hart had geen expliciete handtekening nodig; het wist precies naar wie de letters verwezen. Hij vouwde het briefje zorgvuldig op en staarde door het etalageraam naar de genoemde hoek… die leeg was, op de schaduw van een dansende boom na.
Hij keerde terug naar zijn tafel, ging op de houten stoel zitten en staarde naar het briefje. Voor het eerst die ochtend glimlachte hij zacht, een warme glimlach vol subtiel dankbaarheid.
Op dat moment kwam Haji Abu Mahmoud binnen. Numan schrok even en verborg snel het briefje.
– “Goedemorgen, Haji!”
– “Goedemorgen, hart van de dag! Waarom glimlach je alleen? Heb je een mooie droom gehad?”
Numan lachte verlegen:
– “Misschien… of misschien is het gewoon een nieuwe dag die het waard is om voor te glimlachen.”
Haji kwam dichterbij en legde een hand op zijn schouder:
– “Misschien begin je wel aan een nieuw hoofdstuk, jongen… schrijf het voorzichtig, maar aarzel niet.”

Aan de drempel van de droom 02